Inspirerende bijdrages


Titus Brandsma en de diakonie

Zondag 15 mei is Titus Brandsma (1881-1942) in Rome heilig verklaard. Een Nederlandse
Karmeliet, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, grote voorman van het
katholiek onderwijs in ons land, en geestelijk adviseur van de Nederlandsche Rooms-
Katholieke Journalistenvereeniging. Hij zette zich in voor de vrede, voor de oecumene, en
was tegen racisme en discriminatie. Hij verzette zich dan ook fel tegen de anti-joodse
maatregelen van de Duitse bezetter. In opdracht van kardinaal de Jong ging hij rond langs de
katholieke pers om hen aan te sporen geen anti-joodse berichten van de bezetter of
advertenties van de NSB op te nemen. Dit moest hij met zijn arrestatie in januari 1942 en zijn
dood in het concentratiekamp Dachau op 26 juli van datzelfde jaar bekopen.

Titus was ondanks zijn grote geleerdheid een eenvoudig mens, een Karmeliet in hart en
nieren, die zich in de eerste plaats inzette voor zijn medemens. Pater Brocardus Meijer
O.Carm. schrijft in zijn boek over Titus: “Heel zijn veelzijdige leven stond in het teken van de
dienende liefde, de christelijke hulpvaardigheid.” Hij noemt hem zelfs ‘de apostel van de
dienende liefde’. 1 Titus had altijd een luisterend oor voor mensen met geestelijke nood,
naast zijn tijd voor studie besteedde hij de overige tijd voor zijn medemensen. Vele verhalen
zijn daarover bewaard gebleven, brieven die mensen uit dankbaarheid schreven voor zijn
bemiddeling of financiële hulp. Brieven van zowel de eenvoudigsten als ook van
hooggeplaatsten, van medebroeders in het priesterambt en kloosteroversten, Titus was er
voor íedereen zonder onderscheid des persoons. Mensen die hij in Nijmegen op straat
tegenkwam, stopte hij geld toe als hij van hun noden hoorde. Bekend is het verhaal van de
marktkoopman, die hij iedere ochtend hielp zijn kar omhoog te duwen in de Stikke
Hezelzstraat, een steile straat in het centrum van Nijmegen.

Maar zijn dienstbaarheid beperkte zich niet alleen tot het kleine, alledaagse pastoraat van de
nabijheid, hij zette zich ook in voor grotere zaken. Zo speelde hij een grote rol voor het
rooms-katholiek middelbaar onderwijs en de katholieke dagbladpers. Beide zaken waren
belangrijk voor de emancipatie van het katholieke volksdeel, lange tijd in Nederland
achtergesteld door het protestantse deel van de bevolking. Constant Dölle schrijft hierover:
“Het zijn twee belangrijke invloedsgebieden die zozeer in de lijn liggen van Titus’
roepingbesef dat hij zich daar geheel op eigen erf voelt. Hij is voor zijn gevoel met de juiste
dingen bezig.” 2 Titus gaat na zijn studies in Rome in 1909 in Oss op de opleiding van de
Karmelieten werken als docent wijsbegeerte. Hij ziet bij zijn rondgangen door Oss dat er in
de streek een groot tekort is aan goed middelbaar onderwijs, en ijvert voor de oprichting van
een middelbare school in Oss. In 1919 leidt zijn inzet tot resultaat. Ook in Twente realiseert
hij een katholieke middelbare school in Oldenzaal. Zo staat hij aan de wieg van het netwerk
van Carmelscholen in Nederland, de huidige stichting Carmelcollege. Hij blijft zich zijn hele
verdere leven inzetten voor het middelbaar onderwijs, en trekt in de zomermaanden als
gecommitteerde door het land om toezicht te houden bij de eindexamens op de middelbare
scholen, om zo het niveau te bewaken en te zorgen voor een goede overgang van
middelbare school naar universiteit.

In 1923 komt ook de Katholieke Universiteit Nijmegen tot stand, alwaar hij als hoogleraar
wijsbegeerte en 'geschiedenis van de vroomheid' (mystiek) een aanstelling krijgt. Titus is
daar in het academisch jaar 1932-1933 rector magnificus, en in zijn diesrede over het
Godsbegrip in de moderne tijd spreekt hij ook uitgebreid over het onderwijs. Belangrijke
waarden die men daar moet onderrichten zijn ontvankelijkheid, dat het kind zich openstelt
voor de ander en niet blijft hangen in ik-gerichtheid, en eerbied. Voor Titus ligt eerbied voor
de mens op een hoog niveau. Het is een cruciaal begrip in zijn diesrede. “Zijn eerbied komt
voort uit het feit dat de mensen allen in en door God met elkaar zijn verbonden en tot elkaar
zijn geordend. Deze eerbied voor de ander brengt hem ertoe zijn medemens ruimte te geven
waarin hij zichzelf kan zijn. Een ruimte waarin niet wordt uitgebuit, waar hij niet aan zijn lot
wordt overgelaten, waar hij goed op zijn plaats is. Ruimte scheppen voor de ander betekent
opzij staan, een stap achteruit zetten, terughoudend zijn”, zo beschrijft Constant Dölle Titus’
visie op eerbied. 3 Deze visie bracht hij ook zelf in de praktijk; studenten waardeerden vooral
in hem zijn begrip voor ieders aanleg en ambitie. En zo maakt Titus ook ernstig bezwaar
tegen de maatregelen van de Duitse bezetter, als zij in augustus 1941 bepaalt dat Joodse
kinderen niet meer thuis horen op de scholen in Nederland. In een brief aan de
schoolbesturen van 8 sept. 1941 schrijft hij: “… het moet ook door ons als een schrijnend
onrecht en als aantasting van de taak van de Kerk worden gevoeld, dat aan haar onderricht
gewelddadig personen worden onttrokken die dit onderricht vragen. De Kerk kent in de
vervulling van haar zending geen onderscheid van geslacht, ras en volk.” 4 Hoe modern klonk
dit al voor die tijd.

In 1935 wordt Titus door kardinaal de Jong benoemd tot geestelijk adviseur van de
Nederlandsche Rooms-Katholieke Journalistenvereeniging. In zijn dankwoord bij zijn
installatie wijst Titus er op dat de katholieke pers natuurlijk eerst en vooral de katholieke
zaak moet dienen, maar daarnaast zeker ook de liefde moet hooghouden. “En die liefde
moet blijken uit de toon, de irenische (= vredelievende) toon van de katholieke pers.” 5 In zijn
werk als geestelijk adviseur van de journalistenvereniging hield hij zich niet alleen bezig met
de ‘grote’ zaken: ook in het klein stond hij journalisten bij als hen onrecht werd aangedaan,
of als zij in geestelijke of financiële nood verkeerden. Zo hij strijdt ook bij de directies van de
katholieke dagbladen voor goede arbeidsovereenkomsten voor de journalisten en andere
medewerkers.

Vanwege zijn rondgang langs de katholieke pers, waarbij hij hen opriep geen advertenties
meer van de NSB of de Nazi’s op te nemen, wordt hij op 19 januari 1942 door de Duitsers
gearresteerd. Eerst zit hij in Scheveningen in de gevangenis, in eenzame opsluiting, en komt
op 12 maart van dat jaar terecht in het Durchgangslager Amersfoort. Daar stelt hij zich ten
dienste van zijn medegevangenen. Hij maakt iedere dag een rondgang lang de zieken en
stervenden, om hen moed en kracht in te spreken, soms slechts met een klein gebaar: een
kruisje op iemands voorhoofd. Samen met een paar dominees, die hier ook gevangen zitten,
houdt hij lijdensmeditaties. Hier houdt hij ook zijn beroemde Goede Vrijdag meditatie,
waarin het eigen lijden van de mensen in het kamp een stem krijgt. Na de oorlog hebben
velen getuigd hoeveel steun zij van Titus’ woorden hebben mogen ontvangen, zowel
katholieken als niet-katholieken, gelovigen als ongelovigen.

Op 16 juni 1942 vertrekt Titus vanuit Kleef per trein naar Dachau, zijn laatste reis, alwaar hij
op 19 juni arriveert. Hij is dan al erg verzwakt, maar ondanks alles zoekt hij contact met
medebroeders, Nederlandse, Poolse en Duitse Karmelieten, en andere gevangenen, om
elkaar te steunen door gebed en liefde. Alle getuigen bevestigen dat hij rust en evenwicht
uitstraalde, en hen daardoor kracht kon geven om te overleven. Ook in deze laatste fase van
zijn leven blijft Titus een mens van de dienende liefde; ondanks alle mishandelingen door
kampbewakers klaagde hij nooit, maar bad met de woorden van Christus: “Heer, vergeeft
het hun.” Op 26 juli 1942 sterft Titus te Dachau ten gevolge van een dodelijke injectie.

1 Brocardus Meijer O.Carm., Titus Brandsma, Paul Brand, Bussum 1951, p. 294-295
2 Constant Dölle O.Carm., De weg van Titus Brandsma, Ten Have, Baarn, 2000, p. 58
3 Constant Dölle, o.c., p. 62
4 zie: Constant Dölle, o.c., p.64
5 Brocardus Meijer, o.c., p.357

G.B.J.M. Dölle